Groene auto’s

Heden ten dage worden ons doen en laten steeds meer bepaald door milieuvriendelijke imperatieven. Autoconstructeurs ontsnappen niet aan die allesoverheersende ecologische tendens. Zo werd aan de zogenaamde ‘milieuvriendelijke’ voertuigen een bevoorrechte plaats toegedicht op de recente autosalons van Frankfurt en Tokio. Ook het autosalon van Brussel – januari 2011 – is groener dan ooit. De groene attitude lijkt dus volop ‘in’ en verdient het respect en de inzet van iedereen, ook al geeft de groene reflex al eens aanleiding tot niet altijd even gefundeerde handelingen of verklaringen. Zo moet de ecologische balans precies afgemeten worden, vanaf de allereerste tot de allerlaatste schakel van de keten – met inachtneming van alle factoren. Hij mag allerminst tot een momentopname worden herleid en gebruikt (lees: misbruikt) voor statistische of cijfermatige doeleinden.

De auto, in ruime zin, lijkt wel in het middelpunt van een hevige ‘groene’ storm te komen. Vooral de ‘oude’ wagen moet het daarbij ontgelden, hoewel we eerst nog een consensus moeten bereiken over het begrip ‘oude’ wagen en allerminst oude wagens en bijvoorbeeld oldtimers door elkaar mogen haspelen. Volgens gegevens van Febiac telde het Belgische wagenpark op 31 december 2006 bijna 5.000.000 regelmatig ingeschreven voertuigen, waarvan nauwelijks meer dan 150.000 ouder dan 25 jaar waren (3,12 % om precies te zijn). 25 jaar wordt door de fiscus in de meeste westerse landen beschouwd als de ouderdomsdrempel voor ‘oude’ wagens. Binnen dat verwaarloosbare percentage beschikken we over geen enkele statistiek die een onderverdeling mogelijk maakt tussen de wellicht talrijke oude ‘vehikels’ van minder kapitaalkrachtige eigenaars die het niet zo nauw nemen met de vereiste onderhoudsbeurten en de zeldzame, zorgvuldig gerestaureerde en onderhouden pronkstukken, die vaak de status van waardevol kunstobject aannemen.

Onze intentie is geenszins de rol van de auto, o.a. in de uitstoot van broeikasgassen die de klimaatwijzigingen ongetwijfeld mede in de hand werkt, te negeren. We willen eerder een oproep richten aan wie, op welk niveau ook, ons land bestuurt: de overheid moet vooral mikken op het juiste doel. Los van de economische, sociale en culturele impact van de oldtimer moet zijn invloed op het leefmilieu als uiterst miniem beschouwd worden. Eigenaars of gebruikers van oldtimers roepen we op tot (nog) meer burgerzin: ze moeten blijvend  inspanningen leveren om (nog) behoedzamer met hun oogappel om te gaan en hem piekfijn te onderhouden. Zo tonen ze aan dat de milieuproblematiek hen raakt, zonder dat ze daarom hun passie moeten opgeven. Autobouwers worden aangespoord om het pad van de vernieuwende technologie te blijven bewandelen, zodat consumenten ‘schonere’ auto’s kunnen kopen. De overheid, tot slot, zou op de proppen moeten komen met financiële stimuli zodat bestuurders van oude wagens zich ‘politiek correcte’ wagens kunnen aanschaffen.